dinsdag 25 september 2012

Simpel Leren Haken Deel 6: De Vaste

Een Vaste (of v zoals in patronen wordt genoteerd) is een veelzijdige steek. Hij is de eerste echte steek die veel gebruikt wordt in kanten werkstukken om bijvoorbeeld lossenketting vast te zetten, maar wordt ook veel gebruikt in werkstukken die stevig moeten zijn.

Voorbeelden van werkstukken waarin de vaste veel voorkomt zijn kantkleedjes, kant shawls, huishoudelijke gebruiksvoorwerpen (washandjes en pannenlappen bijv), sokken, en in kinder items. Op dit moment is de vaste de allerbelangrijkste steek in amigurumi, een manier om speelgoed te maken (voor volwassenen vaak) die is overgewaaid vanuit Japan.

Ondanks dat de vaste een veelzijdige steek is, is hij niet het meest populair. Er zitten ook een paar “nadelen” aan deze steek. Zo is het dat deze steek niet echt rekbaar is, en een dik weefsel geeft (wat natuurlijk wel handig is voor winter accesoires!), en daarnaast kost een werkstuk bestaande uit vasten veel garen, veel meer dan een werkstuk bestaande uit stokjes (een vaste is veel lager dan een stokje, dus je moet meer rijen maken).

De meest populaire steek in haken is het stokje, maar deze cursus zal alle steken behandelen naar hoogte. Eerst de vaste, daarna de…. en daarna het stokje. De kleine vaste verdient natuurlijk ook wat aandacht!

Dit cursus deel (en bij alle delen hierna) zal hetzelfde opgebouwd zijn als bij de halve vaste. Een flink aantal foto’s zullen laten zien hoe je de steek maakt en een oefenpatroon zal je helpen je de steek te oefenen.

De bouw van de vaste

Deze keer gaan we met meer lussen werken.
Als je “live” mee wilt doen raad ik je aan om een ketting van lossen te maken. Bijvoorbeeld een ketting van 10 lossen.

Met de komende steken gaan we werken met gesloten rondes of gesloten rijen. Om er voor te zorgen dat je haakwerk netjes hoger of langer wordt iedere rij moet je aan het begin daarvan een of een aantal lossen maken om de opvolgende steek de juiste hoogte te geven. Voor elke steek is er een vaststaand aantal lossen dat je maakt om de hoogte te geven voor de start van je rij of ronde. Voor een vaste is dat 1 losse. Deze losse telt niet mee als een steek aan het begin van een ronde of rij.

Om je een idee te geven, een klein “patroontje”:
Maak 10 lossen
Maak 1 losse en maak een vaste in de tweede losse vanaf de haaknaald.
Maak een vaste in iedere losse.
Dit betekent dat aan het einde van je rij je 10 vasten zult hebben. Door de eerste losse die aan de zijkant zit heb je netjes een hoekje als het ware. Maak je geen losse dan zal je een schuine zijkant hebben.

Maar, hoe maak je nu een vaste?

Grijp de haaknaald en een beetje garen.  Maak een ketting van lossen (want zonder ketting kun je nu niks!). Tel je lossen en maak een extra losse. De laatste losse is om de hoogte in te gaan zodat je ruimte hebt voor je vaste.

In de tweede losse vanaf je haaknaald voer je nu de volgende stappen uit:





Naald in steek, haal het werkgaren door de steek (twee lussen op je haaknaald).


 

Garen over naald.


Haal het garen door beide lussen op je haaknaald.


Herhaal deze stappen voor meer vasten op je ketting.

Meerderen en minderen met vasten

Vaak zeggen patronen dat je het werkstuk moet uitbreiden of juist moet laten krimpen. Vergroten of verkleinen kan natuurlijk in de lengte met het aantal rijen, maar in de breedte is dat mogelijk met meerderen en minderen. Het werkt hetzelfde met breien. Je neemt met minderen twee steken samen, en met meerderen maak je een extra steek.

Met haken is het zo dat je meerdert als je dezelfde steek in 1 steek herhaalt. Minderen is dat je twee (of drie of meer) steken naast elkaar samen”haakt”.  Voor minderen bij haaksteken geldt eigenlijk de standaardregel: maak de eerste steek tot de een na laatste stap en herhaal dit in de volgende steek.
Daarna werk je de beide steken samen.

Hoe meerder je met vasten:


 Stop de haaknaald in een steek en maak een vaste zoals hierboven beschreven.



Stop de haaknaald in dezelfde steek en maak nog een vaste.


Je hebt nu 1 steek gemeerderd. Op de voorkant van je werk zie je nu 2 ‘v-tjes’ in 1 steek zitten.

Hoe minder je met vasten:



Stop de haaknaald in een steek.


Werkgaren over haak en haal het garen door de steek. Laat de lus op je haaknaald.


Stop de haaknaald in de volgende steek


Werkgaren over haak en haal het garen door de steek. Je hebt nu drie lussen op je haaknaald.


Werkgaren over haaknaald en haal het vervolgens door alle drie de lussen.


Je hebt nu 1 steek geminderd. Als je boven op je werk kijkt (als het ware op het dunne lijntje) zul je nu boven de 2 steken nu maar 1 steek zien. Aan de voorkant van je werk zul je drie lijntjes zien samenkomen in 1 steek.

En na deze uitleg laat ik je achter met het patroon voor een paar grappige eierhoedjes. Deze zullen eitjes bij ontbijt of lunch warmhouden en opfleuren. Dit patroon is natuurlijk ook op Ravelry terug te vinden! Er komt nog een patroon waarin zowel gemeerderd wordt als geminderd, maar die is nog niet klaar.
Veel plezier met het patroon en tot de volgende les!

P.S. Dit was mijn eerste echt patroon in het Nederlands. Ik heb geprobeerd de schrijfwijze te controleren aan de hand van andere patronen, maar als iemand nog tips heeft of hoe het anders kan dan hoor ik het graag!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

I would love it if you leave a comment! Thank you so much for visiting xXx